Ethics and Nanotechnology

Responsible development of nanotechnology at global level in the 21st century

 

Proefschrift verdedigd door Ineke Malsch aan de Radboud Universiteit Nijmegen, 4-10-2011. Info: www.malsch.demon.nl. Het proefschrift is te downloaden van:

www.nanoarchive.org/11110, www.nanoforum.org > publications en binnenkort ook van www.narcis.nl  

Samenvatting

 

Dit proefschrift onderzoekt hoe nanotechnologie ethisch verantwoord ontwikkeld kan worden in het huidige tijdperk van mondialisering. De vraagstelling komt voort uit de kwestie waar beleidsmakers op nationaal en internationaal niveau het afgelopen decennium mee geworsteld hebben: hoe voorkomen we dat grote publieke en private investeringen in nanotechnologie uiteindelijk stuiten op publieke tegenstand, zoals het geval was met Genetisch Gemodificeerde Voeding in Europa. Voor het oplossen van deze “governance” vraag zijn veel verschillende discussies en onderzoeken gestart. De auteur heeft deze discussies en projecten als consultant gedurende 15 jaar van nabij meegemaakt. Het proefschrift bevat een poging de breedte van het debat weer te geven met nadruk op verschillen en overeenkomsten tussen landen en op het internationale niveau. Na verdieping vanuit filosofisch-ethisch perspectief wordt teruggekomen op de praktische governance vraag en een bijdrage geleverd aan die lopende discussie.

 

Om de centrale vraag van dit proefschrift te kunnen beantwoorden is eerst in kaart gebracht wat nanotechnologie nu is. Nanotechnologie is een containerbegrip, losjes gedefinieerd als materialen en componenten met functionele structuren met een formaat tussen 1 en ongeveer 100 nanometer in één of meer dimensies. Een nanometer is een miljardste meter, of een miljoenste millimeter of een duizendste micrometer. Heel klein dus. Alle soorten materialen kunnen gebruikt worden, van metalen en halfgeleiders tot biologische materialen en chemische stoffen. Nanowetenschap is een multidisciplinair vakgebied waarin onderzoekers van verschillende disciplines samenwerken aan problemen op de grens tussen hun vakgebieden.

 

Hoewel er al producten met nanotechnologie op de markt zijn, is de grote belofte van nanotechnologie voor bedrijven en de samenleving als geheel nog voornamelijk toekomstmuziek. Daarom is tevens verkend welke verwachtingen verschillende betrokken personen en organisaties hebben over de toekomstige toepassingen en maatschappelijke en ethische implicaties. Visies van vooraanstaande onderzoekers, technologiebeleidsanalisten, technology assessment specialisten, civiele organisaties en politici uit verschillende delen van de wereld zijn hiervoor geanalyseerd en vergeleken. Zoals aangenomen was hebben vooraanstaande onderzoekers meer inzicht in mogelijke technologische ontwikkelingen. NGO’s en politici hadden meer inzicht in maatschappelijke omstandigheden en ontwikkelingen waarin nanotechnologie een plaats moet krijgen. De aanname dat technologiebeleidsanalisten en technology assessment specialisten begrip van technologische en maatschappelijke aspecten van nanotechnologie zouden verenigen werd niet bevestigd. Technologiebeleidsanalisten concentreerden zich op praktische vragen in onderzoeksbeleid en technology assessment specialisten op maatschappelijke discussies over technologie die al gebruikt werd. Sinds het nieuwe millennium zijn de perspectieven van beide laatste groepen wel meer geïntegreerd in overheidsbeleidsstrategieën in Nederland en de EU. Voor andere landen is onvoldoende informatie verzameld om soortgelijke trends waar te nemen. Het overzicht in hoofdstuk 2 bevat expres visies en rapporten uit verschillende delen van de wereld. Deze breedte is nodig om bij te kunnen dragen aan governance van nanotechnologie op mondiaal niveau.

 

In een derde stap zijn de verschillende discussies onder belanghebbenden en ethici en sociale wetenschappers over ethische aspecten van nanotechnologie geanalyseerd. Drie soorten discussies kunnen onderscheiden worden: ten eerste over de vraag hoe met voorzorg om te gaan met onbekende risico’s van kunstmatige nanomaterialen. De tweede soort discussies gaat over toepassingen van nanotechnologie in producten en systemen waar al ethische en maatschappelijke kwesties in het geding zijn die mogelijk door nanotechnologie beïnvloed kunnen worden. De derde soort discussies gaat over hoe de ontwikkeling van nieuwe opkomende technologie het beste bestuurd kan worden. Voorgestelde oplossingen zijn ethische reflectie, regulering en democratisering van besluitvorming over technologieontwikkeling. De vraag is welke kwesties nog onvoldoende zijn uitgediscussieerd. Op basis van de analyse en eigen interesse van de auteur zijn drie problemen gekozen: nanotechnologie en veiligheid, nanotechnologie en duurzame ontwikkeling, en nanotechnologie en de schuivende grens tussen natuurlijk en kunstmatig. In alle drie gevallen is de internationale dimensie van belang in de lopende discussies.

 

Dit proefschrift onderzoekt ethisch verantwoorde ontwikkeling van nanotechnologie. Daarom zijn filosofisch-ethische theorieën toegepast en aangepast aan de vragen die opgeroepen worden door de drie onderscheiden probleemgebieden. De relatie tussen militaire en civiele veiligheidstoepassingen en dual use aspecten van nanotechnologie en de theorie van de rechtvaardige oorlog is onderzocht. Dit resulteerde in een voorstel om de theorie van de rechtvaardige oorlog uit te breiden met een hoofdstuk over (militaire) technologieontwikkeling. De verbrokkelde discussies over kansen en risico’s van nanotechnologie voor het milieu en arme mensen in ontwikkelingslanden zijn samengebracht en geanalyseerd vanuit het perspectief van de theorie van rechtvaardigheid en vermogensbenadering van John Rawls, Amartya Sen en Martha Nussbaum. Een aanpassing van Nussbaum’s internationale vermogensbenadering voor de duurzame ontwikkeling van (nano)technologie is getest op een aantal Latijns Amerikaanse landen die actief zijn op het gebied van nanotechnologie. De invloed van nanotechnologie op de schuivende grens tussen natuurlijk en kunstmatig is vooral onderwerp van langer lopend debat over futuristische toekomstscenario’s waarbij verschillende mensbeelden botsen. Aan de hand van filosofisch-antropologische literatuur zijn vier mensbeelden die een rol spelen in de huidige discussie over mensverbetering geanalyseerd: de mens als beeld van God, het Kantiaanse persoonsbegrip, de mens als rationeel dier en de mens als biologische machine. In drie van deze concepten speelt de menselijke waardigheid een rol. Aangezien de menselijke waardigheid een vaag en betwist filosofisch concept is, is het niet geschikt om de toepassing van (nano)technologie voor mensverbetering aan banden te leggen.

 

Aan menselijke waardigheid zijn filosofische theorieën van mensenrechten en verantwoordelijkheid gerelateerd. Daarom is vervolgens onderzocht in hoeverre deze concepten geschikt zijn als basis voor beperkingen aan toepassingen van nanotechnologie in mensverbetering. Mensenrechten zijn inherent ambigu. Naast een ethische component van universele fundamentele rechten is er een juridische component van positieve formuleringen van rechten van burgers in nationale wetgeving. In lange termijn discussies over radicale mensverbetering kan een minimale inhoud van fundamentele mensenrechten helpen om de ethische dilemma’s boven tafel te krijgen. Voor het aan banden leggen van incrementele mensverbetering op korte termijn zijn de positieve juridische regels die de rechten van individuele burgers beschermen geschikter. Deze regels zijn afdwingbaar door de Trias Politica in moderne democratische staten.

 

Individuele mensenrechten ingekaderd in het sociale contract tussen de individuele burger en de staat zijn niet genoeg om mogelijk ongewenste invloed van nanotechnologie op de schuivende grens tussen natuurlijk en kunstmatig tegen te gaan. Daarom is onderzocht in hoeverre het filosofische concept verantwoordelijkheid bruikbaar is als aanvulling op individuele mensenrechten. (Nano)technologieontwikkeling ontsnapt aan formele nationale regelgeving omdat juridische regels alleen achteraf gehandhaafd kunnen worden, en nieuwe effecten van nieuwe technologie pas in de toekomst zullen optreden. De huidige regels kunnen dan ongeschikt blijken te zijn om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. De soevereine overheid kan zich bovendien te laat bewustworden van nieuwe ongereguleerde kwesties. Daarom is onderzocht welke rol een toekomstgericht collectief moreel concept van verantwoordelijkheid kan spelen. Hierbinnen kunnen verschillende statelijke en niet-statelijke actoren de ontwikkeling van nanotechnologie samen in goede banen leiden. Verantwoordelijkheid is op zichzelf een zwak begrip dat door verschillende actoren verschillend ingevuld kan worden. Voor zover het een moreel concept is ontbreekt een autoriteit die een bepaalde interpretatie kan voorschrijven en overtreding straffen. Daarom moet het morele begrip verantwoordelijkheid ingevuld worden met substantiële ethische concepten die vrijwillig onderschreven worden door alle betrokkenen: individuele mensenrechten, maar ook het algemeen belang en milieubescherming.

 

Technologieontwikkeling vindt plaats op mondiaal niveau. Dat niveau wordt van oudsher gekenmerkt door verschillen in regelgeving en belangen tussen verschillende soevereine staten. Door mondialisering spelen ook private groeperingen waaronder bedrijven en civiele organisaties een rol in de ontwikkeling en beheersing van (nano)technologieontwikkeling. Vanuit een communitaristisch perspectief kunnen de bijdragen van verschillende niet-statelijke groeperingen hieraan zichtbaar gemaakt worden. Het moderne wereldbeeld waarin het sociale contract tussen atomistische burgers en de soevereine staat centraal staat heeft een blinde vlek voor de rollen en potentiële bijdragen van deze groeperingen. Het expliciet maken van de rollen en belangen van dergelijke private actoren is onderdeel van communitaristische kritiek op het democratische ethos van het liberalisme. Vanuit dit perspectief blijken belangentegenstellingen een grotere rol te spelen dan verschillende waardensystemen in de ontwikkeling van nanotechnologie op mondiaal niveau. Verder blijken de discussies over verschillende ethische en maatschappelijke aspecten van nanotechnologie in versnipperde fora gevoerd te worden.

 

De centrale vraag van dit proefschrift is: hoe kan ethisch verantwoorde ontwikkeling van nanotechnologie vorm krijgen in een mondiale wereldorde waar verschillende soorten belangengroepen deelnemen? De aanbeveling is tweeledig.

 

Ten eerste zou nanotechnologie moeten bijdragen aan de drie doelstellingen van het conciliaire proces van de wereldraad van kerken: vrede, gerechtigheid en behoud van de schepping. De lidkerken en andere religieuze groepen redeneren vanuit een communitaristisch perspectief. De waarden van het conciliaire proces zijn algemeen genoeg om onderschreven te worden door mensen met andere levensovertuigingen. Door vrede in plaats van veiligheid centraal te stellen wordt de traditionele verantwoordelijkheid van soevereine staten voor het burgerrecht op veiligheid enerzijds gerespecteerd. Anderzijds wordt het aangevuld met bijdragen die private groeperingen kunnen leveren aan het voorkomen en oplossen van conflicten. Deze bijdragen kunnen enerzijds de vorm krijgen van een dialoog. Anderzijds dragen ook projecten waarin nanotechnologie ontwikkeld wordt voor duurzame milieuontwikkeling en armoedebestrijding eraan bij. Deze projecten dragen tevens bij aan de tweede doelstelling: gerechtigheid. Kerken en andere religieuze groeperingen die vanuit een communitaristisch perspectief redeneren, beperken zich tot nu toe tot discussie over de invloed van nanotechnologie op de schepping. Hier is het zaak om zorgvuldig te argumenteren en te luisteren naar de argumenten van groeperingen die een ander beeld van mens en wereld aanhangen. Binnen verschillende waardengemeenschappen is namelijk ook ruimte voor verschillende interpretaties van wat het menszijn inhoudt. Of mensen wel of niet voor God mogen spelen, daarover wordt ook binnen religieuze groeperingen verschillend gedacht. Vanuit hun eigen verantwoordelijkheid zouden religieuze groeperingen daarnaast hun bijdrage moeten verbreden naar alle drie doelen van het conciliaire proces. Hun overtuiging is een sterke inspiratiebron om bij te dragen aan een verantwoordelijke ontwikkeling van (nano)technologie.

 

Ten tweede is de huidige dialoog over en ontwikkeling van nanotechnologie versnipperd, waardoor de doelstelling van verantwoordelijke ontwikkeling van nanotechnologie op mondiaal niveau niet gehaald kan worden. Het is daarom zaak de verschillende losse dialogen en initiatieven te verbinden. Hierbij moet ook de discussie over economische concurrentie betrokken worden om een rechtvaardige uitkomst te bereiken die recht doet aan de belangen van alle betrokkenen, inclusief burgers van geïndustrialiseerde landen.